Bosgroepexcursie te Retie- 26 januari 2007
 
 
 

 

Een geslaagde en interessante bosbeheersexcursie!

(Sus Willems)

Op vraag van enkele bosgroepisten werd een kleine excursie samengesteld. De aangesneden thema's waren 'aanplant van bossen op landbouwgrond' en 'spontane bosverjonging'. Te Retie en Geel werden enkele locaties bezocht.


Object 1: Aanplant te Prinsenpark, 12 jaar oud, ongeveer 4 ha.

Het betreft een openbaar bos dat toegankelijk is (op de paden). Ruim tien jaar geleden werden Zomereik, Grauwe abeel, Boskers, Haagbeuk, Zwarte els, Veldesdoorn... aangeplant. Het betreft voormalig, relatief schraal weiland met interessante vochtgradiënten. Dit systeem is plaatselijk zeer gevoelig voor droogte en heeft lokale kwelzones. Er werd geplant in door de graszode geboorde plantputten. Er was een zestal jaar een raster tegen ree aanwezig. Dit raster is enkele jaren geleden weggehaald.

Op deze standplaats werden de verschillende factoren die van invloed waren op de ontwikkeling van de vegetatie en hun onderlinge interacties besproken.

 

Het eerste dat op deze locatie opviel, was het verschil in temperament tussen de verschillende soorten. Er waren groepjes van Grauwe abeel die reeds 10 meter hoog waren, enkele tientallen meter verder waren er bonsai-achtige Zomereikjes die niet eens 1 meter hoog waren (zie foto). Deze grote verschillen werden niet enkel verklaard door de groeikracht van de soort in combinatie met de potenties van de standplaats. De traagst groeiende boompjes kwamen voor op het hoogste punt van het perceel, waar de kruidvegetatie wijst op lange perioden van droogtestress. Reeën hebben net dit stukje uitgekozen, om systematisch te knabbelen aan de boompjes. De reeën versterkten zo het schrale effect.

Voor de gelegenheid introduceren we hier een nieuw begrip: "de bosturbo".
Bij de aanplant van een bos op een open terrein, zal er zich aanvankelijk een vegetatie van open terrein ontwikkelen. Dit kan een grasmat zijn, of een vegetatie van ruigtekruiden (bramen, brandnetels, wilgenroosje, akkerdistel, kleefkruid, brem, bijvoet...). Het bosplantsoen echter, zal langzaam aan een typisch, schaduwrijk microklimaat ontwikkelen. Na enkele jaren zal deze schaduw, in combinatie met wortelconcurrentie en strooiselopbouw, de oorspronkelijk kruidvegetatie van het open veld verdrukken, zodat een minder concurrentiële, schaduwtolerante bosvegetatie zich kan ontwikkelen. Op het moment echter dat de ruige vegetatie afsterft, komt er een grote hoeveelheid nutriënten vrij voor het bosplantsoen. Bovendien vermindert de droogtestress door toenemende controle van de boomsoorten op de standplaats (beschaduwing, geleidelijke invoer en afvoer van regenwater,…). Op dat moment krijgt de jonge bosvegetatie een enorme boost: de bosturbo slaat aan.

Op de bezochte locatie was dit effect plaatselijk goed waarneembaar. In deze aanplant deed er zich op de vochtiger plaatsen spontane vestiging van Boswilg voor. Deze snelle groeier werd deels gespaard en fungeert als 'wijker' tussen de aanplant. Op de drogere delen kwamen enkele spontaan gevestigde berken voor. Ervaring leert dat het zeer moeilijk is om spontane vestiging van pioniers op voorhand in te schatten.

Indien er gewerkt wordt met deels een kunstmatige en deels een natuurlijke verjonging, spreken we van een gefusioneerde verjonging.
De klassieke begrippen die in het geval van bosverjonging gebezigd worden zijn bezettingsfase (vanaf kieming van zaden tot eerste stamtalvermindering door onderlinge concurrentie) en jongwasfase (vanaf kroonsluiting...). De structurele verandering in kruidvegetatie wordt hierbij niet in rekening gebracht. Voor de 'klassieke' begrippen zie de cursus Bosbouwbekwaamheid, het deel Bosbouw, algemene begrippen.


Er werd nog even gediscussieerd over de noodzaak en de praktijk van snoei in deze fase.

Wat konden we leren uit deze voorbeelden:

° Verschillende soorten hebben de eerste 10 jaar een verschillend groeitemperament: er zijn sprinters (Grauwe abeel) en er zijn trage starters (Zomereik).
° Om te voorkomen dat een erg concurrentiele ruigtevegetatie ontstaat, is het belangrijk dat de bosturbo snel aanslaat. Zo niet zijn er dure vrijstellingen nodig.
° Om snel de ruigtekruiden te onderdrukken (zodat de turbo aanslaat) zijn enkele maatregelen aangewezen:

° dicht plantverband (duur)
° groot plantsoen (duur, slaat vaak minder goed aan)
° mengen van snelle starters tussen trage starters. We spreken dan van werken met 'wijkers' en 'blijvers'. In het voorbeeld zagen we het verschil in groeikracht tussen Grauwe abeel en Zomereik. Dit houdt wel in, dat na enkele jaren de wijkers reeds moeten afgezet worden, om de vrije doorgang te geven aan de traag groeiende blijvers.


Conclusie:
Indien men bos gaat planten, dan zijn er verschillende methoden (plantverbanden, mengingen) mogelijk. Indien er gewerkt wordt met subsidie, dan is het essentieel om op voorhand de verschillende scenario's met de boswachter (of ambtenaar privé-bos) te bespreken. Indien er zich na de aanplant massaal natuurlijke verjonging zou vestigen, en de beheerder zou deze maximaal als 'wijkers' willen gebruiken, dan is het verstandig dit goed dit aan de boswachter voor te leggen. Ook indien er zich spontaan open plekken ontwikkelen, en de beheerder wil deze als open plekken beheren, is terugkoppeling met de boswachter nuttig.

Object 2: Spontane verjongingskern van Gewone esdoorn onder een scherm van Zwarte els.

De volgende locatie was een vegetatie van Zwarte elzen van een kleine 30 jaar oud (aanplant, op voormalige moestuin, nooit afgezet, dus gave 'voet'). Deze elzen zijn een jaar of vijf geleden via de toekomstboommethode sterk gedund. Vanuit enkele zaadbronnen is er nu massaal spontane vestiging van zaailingen van Gewone esdoorn.

Er werd gediscussieerd over het verdere beheer van dit bos. Er kwamen enkele Zwarte elzen voor, die blijkbaar zeer goed reageerden op de dunning. Andere reageerden blijkbaar minder goed. Opmerkelijk was de typische, zeer dichte stand van de jonge esdoorns. Het valt te verwachten dat deze dichte stand zal resulteren in zeer slanke stammetjes met maximale natuurlijke stamreiniging. Dit zou een goed uitgangspunt zijn voor de productie van zeer hoge kwaliteit esdoornhout.

Na de dunning in de elzen waren de bramen tijdelijk sterker ontwikkeld. De esdoorns echter zijn reeds door deze vegetatie gedrongen, zodat deze de bramen terug zullen dringen.

De groep vond dat er voorlopig geen ingrepen nodig waren in deze vegetatie, maar dat de spontane ontwikkeling verder zou opgevolgd worden.

Object 3: Spontane verjonging in klassiek bos van Grove den. Een gekend gegeven, waar op andere momenten al veel aandacht aan besteed werd.

Object 4: Privé-bosje in Retie: Spontane verjonging van berk na eindkap Fijnspar

Hier gebeurde 5 jaar geleden een eindkap van Fijnspar. Deze Fijnspar was een 'doorgeschoten kerstboomaanplant' van een 45 jaar oud. In de menging met de Fijnspar kwamen een aantal lorken, berken, zomereiken, douglassen voor. Hiervan zijn er een aantal als overstaander gebleven. Deze aanplant was een eerste bosaanplant op een droge akker (dus relatief voedselrijk, echter gevoelig aan droogtestress).

Na de eindkap werd in samenspraak met de boswachter geopteerd om voorlopig niets te doen, en om spontane processen af te wachten.

In deze fase kon er een goede eerste evaluatie van de ontwikkelingen gemaakt worden. Berk was (zoals verwacht) de meest beeldbepalende boom.

Opvallend was het gegeven dat berkenverjonging zich vleksgewijs voordeed. Er was een duidelijke link met de takkenhopen na de exploitatie. Deze takkenhopen waren de normale resten van de exploitatie van een eindkap van fijnspar. Hoe dikker de takkenhopen, hoe moeilijker de vestiging van zaailingen. Nu echter, vestigden zich ook zaailingen in deze verterende strooiselpakketten.

Na de exploitatie, vestigden zich plaatselijk een dichte vegetatie van Sporkenhout. Zaailingen van berk kwamen massaal voor, maar hierop was (in tegenstelling tot de Sporkenhout) een zware knabbeldruk van reeën. Dit reewild had een serieus afremmend effect op berkenverjonging, en bevorderde zo indirect de ontwikkeling van het Sporkenhout. Op dit moment, concentreren de reeën zich op enkele spots en kan de rest van de berkenvegetatie doorgroeien (zie foto).

Gelegenheidsgids Sander wees ook op de spontane vestiging van zomereikjes in de jonge berkenvegetatie. Onlangs is met de boswachter deze vegetatie beoordeeld, en is er een subsidie uitgekeerd. Vanwege de aanwezigheid van deze Zomereikjes is bepaald dat 25% van de oppervlakte voldoende bezet is met Zomereik.

Even werd aangegeven dat op de plaatsen waar nog geen verjonging is, er mogelijk een inplant zou kunnen gebeuren (gefusioneerde verjonging). Als mogelijke soorten werden Boskers, Haagbeuk, Beuk, Gewone esdoorn voorgesteld...

Een interessant gegeven dat besproken werd, was de aanwezigheid van een elektriciteitslijn boven het perceel. De beheerder van deze lijn laat elke 9 jaar zonder overleg met de eigenaars onder deze lijn houtige vegetatie weg klepelen. Er werd voorgesteld om eventueel een hakhoutaanplant met korte omloop aan te leggen, zodat er hakhout zou kunnen geoogst worden en het klepelen niet meer nodig zou zijn. Ook werden de mogelijkheden voor ecologische (open plaatsen) bekeken. Hier zijn zeker potenties. Overleg met de beheerder van de lijn is echter essentieel.

Object 5: Privé-bos te Geel (niet toegankelijk): Gemengde aanplant van 10 jaar op rijke standplaats

Vlak na Wereldoorlog 2 werd op deze standplaats op een vruchtbaar, alluviaal hooiland een fijnsparbos aangeplant. Dit bos werd door de stormen van 1990 flink geteisterd. De rest van de fijnsparren werd gekapt, en een gemengd bos werd aangeplant. De voornaamste soorten zijn Gewone es, Boskers, Gewone esdoorn. Plaatselijk is er spontane vestiging van berken.

Enkele jaren geleden werden in dit snelgroeiend bos toekomstbomen aangeduid en enkele snoeiwerken werden uitgevoerd. Er is gekozen om de toekomstbomen goed te selecteren, en de snoei hierop te concentreren. Er werden enkele Boskersen en Gewone esdoorns getoond, waarvan relatief zware takken enkele jaren geleden op de helft ingekort werden. Dit om de groei uit deze takken weg te snoeien. Gewone esdoorn en Boskers zijn zeer gevoelig aan snoei. Anderzijds treedt natuurlijke stamreiniging vaak onvoldoende op. Indien snoeiwonden gemaakt worden tegen de spil, dan komen er op het levend houtweefsel onvermijdelijk infecties, die onmiddellijk in de toekomstige spil terechtkomen. Indien de groei uit takken weggesnoeid wordt, dan worden deze takken op den duur door de boom zelf afgestoten. Deze droge takken kunnen dan gemakkelijk verwijderd worden. Zo ontstaan er nooit open wonden met ontsloten levend houtweefsel.

Zeer opmerkelijk op deze standplaats is de recente vestiging van Japanse duizendknoop. Bij de aanleg van een fietspad langs het bos, is door de aannemer besmette opvulgrond gebruikt. Over een lengte van tientallen meters is deze agressieve exoot zodoende in de bosrand geïntroduceerd. Van hieruit dringt deze plant met zijn wortelstokken razendsnel het bos binnen. In de groep werd er gediscussieerd over de opportuniteit van de bestrijding. Blijkbaar is het gevaar van deze exoot bij boseigenaars nog onvoldoende gekend. Anderzijds is er in Vlaanderen nog weinig ervaring met de bestrijding er van (eens navragen bij de vrienden van Natuurpunt).

Er werd opgemerkt dat in Nederland deze exoot blijkbaar met goed resultaat bestreden werd door zijn vegetaties dicht in te planten met Fijnspar. De eerste jaren na inplant dient er nog mechanisch bestreden te worden, maar na enkele jaren zal de Fijnspar een heel dichte vegetatie ontwikkelen en de duizendknoop wegconcurreren.

Er is geen enkele boom - inheems of exoot - die een donkerdere vegetatie ontwikkelt dan Fijnspar. Zo'n fijnsparvegetatie heeft hetzelfde effect als zwarte plastiekfolie.

In dit scenario dient een ruime perimeter afgebakend om de vegetatie heen te worden ingeplant, en zal nog enige jaren mechanische bestrijding nodig zijn. In het beste geval duurt het nog minstens een 20-tal jaar vooraleer de duizendknoop verdwenen is.

In dit concrete geval zou in een ruime perimeter fijnspar kunnen aangeplant worden onder de gemengde bosvegetatie. De beeldbepalende soorten zouden dan in elk geval de Essen, esdoorns en Boskersen blijven.

Indien geopteerd zou worden voor dit scenario, is het uiteraard belangrijk om dit op voorhand goed te bespreken met de lokale boswachters of de ambtenaar privé-bos.

Rest de vraag of het bestrijden van duizendknoop kan ondersteund worden door de arbeidersploegen van de bosgroepen...

Het was een mooie dag, met fijne mensen en mooie bosplaatsjes.

Voor nuttige achtergrondinformatie over deze thema's kan men altijd de cursus Bosbouwbekwaamheid raadplegen (www.inverde.be).

 

Klik hier om de foto's te bekijken >>

   
   

Klik hier om terug te keren naar de website.

Site powered by