|
Het eerste dat op deze locatie opviel, was het verschil in temperament
tussen de verschillende soorten. Er waren groepjes van Grauwe abeel
die reeds 10 meter hoog waren, enkele tientallen meter verder waren
er bonsai-achtige Zomereikjes die niet eens 1 meter hoog waren (zie
foto). Deze grote verschillen werden niet enkel verklaard door de
groeikracht van de soort in combinatie met de potenties van de standplaats.
De traagst groeiende boompjes kwamen voor op het hoogste punt van
het perceel, waar de kruidvegetatie wijst op lange perioden van
droogtestress. Reeën hebben net dit stukje uitgekozen, om systematisch
te knabbelen aan de boompjes. De reeën versterkten zo het schrale
effect.
Voor de gelegenheid introduceren we hier een nieuw begrip: "de
bosturbo".
Bij de aanplant van een bos op een open terrein, zal er zich aanvankelijk
een vegetatie van open terrein ontwikkelen. Dit kan een grasmat
zijn, of een vegetatie van ruigtekruiden (bramen, brandnetels, wilgenroosje,
akkerdistel, kleefkruid, brem, bijvoet...). Het bosplantsoen echter,
zal langzaam aan een typisch, schaduwrijk microklimaat ontwikkelen.
Na enkele jaren zal deze schaduw, in combinatie met wortelconcurrentie
en strooiselopbouw, de oorspronkelijk kruidvegetatie van het open
veld verdrukken, zodat een minder concurrentiële, schaduwtolerante
bosvegetatie zich kan ontwikkelen. Op het moment echter dat de ruige
vegetatie afsterft, komt er een grote hoeveelheid nutriënten
vrij voor het bosplantsoen. Bovendien vermindert de droogtestress
door toenemende controle van de boomsoorten op de standplaats (beschaduwing,
geleidelijke invoer en afvoer van regenwater,
). Op dat moment
krijgt de jonge bosvegetatie een enorme boost: de bosturbo slaat
aan.
Op de bezochte locatie was dit effect plaatselijk goed waarneembaar.
In deze aanplant deed er zich op de vochtiger plaatsen spontane
vestiging van Boswilg voor. Deze snelle groeier werd deels gespaard
en fungeert als 'wijker' tussen de aanplant. Op de drogere delen
kwamen enkele spontaan gevestigde berken voor. Ervaring leert dat
het zeer moeilijk is om spontane vestiging van pioniers op voorhand
in te schatten.
Indien
er gewerkt wordt met deels een kunstmatige en deels een natuurlijke
verjonging, spreken we van een gefusioneerde verjonging.
De klassieke begrippen die in het geval van bosverjonging gebezigd
worden zijn bezettingsfase (vanaf kieming van zaden tot eerste stamtalvermindering
door onderlinge concurrentie) en jongwasfase (vanaf kroonsluiting...).
De structurele verandering in kruidvegetatie wordt hierbij niet
in rekening gebracht. Voor de 'klassieke' begrippen zie de cursus
Bosbouwbekwaamheid, het deel Bosbouw, algemene begrippen.
Er werd nog even gediscussieerd over de noodzaak en de praktijk
van snoei in deze fase.
Wat konden we leren uit deze voorbeelden:
° Verschillende soorten hebben de eerste 10 jaar een verschillend
groeitemperament: er zijn sprinters (Grauwe abeel) en er zijn
trage starters (Zomereik).
° Om te voorkomen dat een erg concurrentiele ruigtevegetatie
ontstaat, is het belangrijk dat de bosturbo snel aanslaat. Zo
niet zijn er dure vrijstellingen nodig.
° Om snel de ruigtekruiden te onderdrukken (zodat de turbo
aanslaat) zijn enkele maatregelen aangewezen:
° dicht plantverband (duur)
° groot plantsoen (duur, slaat vaak minder goed aan)
° mengen van snelle starters tussen trage starters. We spreken
dan van werken met 'wijkers' en 'blijvers'. In het voorbeeld
zagen we het verschil in groeikracht tussen Grauwe abeel en
Zomereik. Dit houdt wel in, dat na enkele jaren de wijkers reeds
moeten afgezet worden, om de vrije doorgang te geven aan de
traag groeiende blijvers.
Conclusie:
Indien men bos gaat planten, dan zijn er verschillende methoden
(plantverbanden, mengingen) mogelijk. Indien er gewerkt wordt met
subsidie, dan is het essentieel om op voorhand de verschillende
scenario's met de boswachter (of ambtenaar privé-bos) te
bespreken. Indien er zich na de aanplant massaal natuurlijke verjonging
zou vestigen, en de beheerder zou deze maximaal als 'wijkers' willen
gebruiken, dan is het verstandig dit goed dit aan de boswachter
voor te leggen. Ook indien er zich spontaan open plekken ontwikkelen,
en de beheerder wil deze als open plekken beheren, is terugkoppeling
met de boswachter nuttig.
Object 2: Spontane verjongingskern van
Gewone esdoorn onder een scherm van Zwarte els.
De volgende locatie was een vegetatie van Zwarte elzen van een
kleine 30 jaar oud (aanplant, op voormalige moestuin, nooit afgezet,
dus gave 'voet'). Deze elzen zijn een jaar of vijf geleden via de
toekomstboommethode sterk gedund. Vanuit enkele zaadbronnen is er
nu massaal spontane vestiging van zaailingen van Gewone esdoorn.
Er werd gediscussieerd over het verdere beheer van dit bos. Er
kwamen enkele Zwarte elzen voor, die blijkbaar zeer goed reageerden
op de dunning. Andere reageerden blijkbaar minder goed. Opmerkelijk
was de typische, zeer dichte stand van de jonge esdoorns. Het valt
te verwachten dat deze dichte stand zal resulteren in zeer slanke
stammetjes met maximale natuurlijke stamreiniging. Dit zou een goed
uitgangspunt zijn voor de productie van zeer hoge kwaliteit esdoornhout.
Na de dunning in de elzen waren de bramen tijdelijk sterker ontwikkeld.
De esdoorns echter zijn reeds door deze vegetatie gedrongen, zodat
deze de bramen terug zullen dringen.
De groep vond dat er voorlopig geen ingrepen nodig waren in deze
vegetatie, maar dat de spontane ontwikkeling verder zou opgevolgd
worden.
Object 3: Spontane verjonging in klassiek
bos van Grove den. Een
gekend gegeven, waar op andere momenten al veel aandacht aan besteed
werd.
Object 4: Privé-bosje in Retie:
Spontane verjonging van berk na eindkap Fijnspar
Hier gebeurde 5 jaar geleden een eindkap van Fijnspar. Deze Fijnspar
was een 'doorgeschoten kerstboomaanplant' van een 45 jaar oud. In
de menging met de Fijnspar kwamen een aantal lorken, berken, zomereiken,
douglassen voor. Hiervan zijn er een aantal als overstaander gebleven.
Deze aanplant was een eerste bosaanplant op een droge akker (dus
relatief voedselrijk, echter gevoelig aan droogtestress).
Na de eindkap werd in samenspraak met de boswachter geopteerd om
voorlopig niets te doen, en om spontane processen af te wachten.
In deze fase kon er een goede eerste evaluatie van de ontwikkelingen
gemaakt worden. Berk was (zoals verwacht) de meest beeldbepalende
boom.
Opvallend was het gegeven dat berkenverjonging zich vleksgewijs
voordeed. Er was een duidelijke link met de takkenhopen na de exploitatie.
Deze takkenhopen waren de normale resten van de exploitatie van
een eindkap van fijnspar. Hoe dikker de takkenhopen, hoe moeilijker
de vestiging van zaailingen. Nu echter, vestigden zich ook zaailingen
in deze verterende strooiselpakketten.
Na de exploitatie, vestigden zich plaatselijk een dichte vegetatie
van Sporkenhout. Zaailingen van berk kwamen massaal voor, maar hierop
was (in tegenstelling tot de Sporkenhout) een zware knabbeldruk
van reeën. Dit reewild had een serieus afremmend effect op
berkenverjonging, en bevorderde zo indirect de ontwikkeling van
het Sporkenhout. Op dit moment, concentreren de reeën zich
op enkele spots en kan de rest van de berkenvegetatie doorgroeien
(zie foto).
Gelegenheidsgids Sander wees ook op de spontane vestiging van zomereikjes
in de jonge berkenvegetatie. Onlangs is met de boswachter deze vegetatie
beoordeeld, en is er een subsidie uitgekeerd. Vanwege de aanwezigheid
van deze Zomereikjes is bepaald dat 25% van de oppervlakte voldoende
bezet is met Zomereik.
Even werd aangegeven dat op de plaatsen waar nog geen verjonging
is, er mogelijk een inplant zou kunnen gebeuren (gefusioneerde verjonging).
Als mogelijke soorten werden Boskers, Haagbeuk, Beuk, Gewone esdoorn
voorgesteld...
Een interessant gegeven dat besproken werd, was de aanwezigheid
van een elektriciteitslijn boven het perceel. De beheerder van deze
lijn laat elke 9 jaar zonder overleg met de eigenaars onder deze
lijn houtige vegetatie weg klepelen. Er werd voorgesteld om eventueel
een hakhoutaanplant met korte omloop aan te leggen, zodat er hakhout
zou kunnen geoogst worden en het klepelen niet meer nodig zou zijn.
Ook werden de mogelijkheden voor ecologische (open plaatsen) bekeken.
Hier zijn zeker potenties. Overleg met de beheerder van de lijn
is echter essentieel.
Object
5: Privé-bos te Geel (niet toegankelijk): Gemengde aanplant
van 10 jaar op rijke standplaats
Vlak na Wereldoorlog 2 werd op deze standplaats op een vruchtbaar,
alluviaal hooiland een fijnsparbos aangeplant. Dit bos werd door
de stormen van 1990 flink geteisterd. De rest van de fijnsparren
werd gekapt, en een gemengd bos werd aangeplant. De voornaamste
soorten zijn Gewone es, Boskers, Gewone esdoorn. Plaatselijk is
er spontane vestiging van berken.
Enkele jaren geleden werden in dit snelgroeiend bos toekomstbomen
aangeduid en enkele snoeiwerken werden uitgevoerd. Er is gekozen
om de toekomstbomen goed te selecteren, en de snoei hierop te concentreren.
Er werden enkele Boskersen en Gewone esdoorns getoond, waarvan relatief
zware takken enkele jaren geleden op de helft ingekort werden. Dit
om de groei uit deze takken weg te snoeien. Gewone esdoorn en Boskers
zijn zeer gevoelig aan snoei. Anderzijds treedt natuurlijke stamreiniging
vaak onvoldoende op. Indien snoeiwonden gemaakt worden tegen de
spil, dan komen er op het levend houtweefsel onvermijdelijk infecties,
die onmiddellijk in de toekomstige spil terechtkomen. Indien de
groei uit takken weggesnoeid wordt, dan worden deze takken op den
duur door de boom zelf afgestoten. Deze droge takken kunnen dan
gemakkelijk verwijderd worden. Zo ontstaan er nooit open wonden
met ontsloten levend houtweefsel.
Zeer opmerkelijk op deze standplaats is de recente vestiging van
Japanse duizendknoop. Bij de aanleg van een fietspad langs het bos,
is door de aannemer besmette opvulgrond gebruikt. Over een lengte
van tientallen meters is deze agressieve exoot zodoende in de bosrand
geïntroduceerd. Van hieruit dringt deze plant met zijn wortelstokken
razendsnel het bos binnen. In de groep werd er gediscussieerd over
de opportuniteit van de bestrijding. Blijkbaar is het gevaar van
deze exoot bij boseigenaars nog onvoldoende gekend. Anderzijds is
er in Vlaanderen nog weinig ervaring met de bestrijding er van (eens
navragen bij de vrienden van Natuurpunt).
Er werd opgemerkt dat in Nederland deze exoot blijkbaar met goed
resultaat bestreden werd door zijn vegetaties dicht in te planten
met Fijnspar. De eerste jaren na inplant dient er nog mechanisch
bestreden te worden, maar na enkele jaren zal de Fijnspar een heel
dichte vegetatie ontwikkelen en de duizendknoop wegconcurreren.
Er is geen enkele boom - inheems of exoot - die een donkerdere
vegetatie ontwikkelt dan Fijnspar. Zo'n fijnsparvegetatie heeft
hetzelfde effect als zwarte plastiekfolie.
In dit scenario dient een ruime perimeter afgebakend om de vegetatie
heen te worden ingeplant, en zal nog enige jaren mechanische bestrijding
nodig zijn. In het beste geval duurt het nog minstens een 20-tal
jaar vooraleer de duizendknoop verdwenen is.
In dit concrete geval zou in een ruime perimeter fijnspar kunnen
aangeplant worden onder de gemengde bosvegetatie. De beeldbepalende
soorten zouden dan in elk geval de Essen, esdoorns en Boskersen
blijven.
Indien geopteerd zou worden voor dit scenario, is het uiteraard
belangrijk om dit op voorhand goed te bespreken met de lokale boswachters
of de ambtenaar privé-bos.
Rest de vraag of het bestrijden van duizendknoop kan ondersteund
worden door de arbeidersploegen van de bosgroepen...
Het was een mooie dag, met fijne mensen en mooie bosplaatsjes.
Voor nuttige achtergrondinformatie over deze thema's kan men altijd
de cursus Bosbouwbekwaamheid raadplegen (www.inverde.be).
Klik
hier om de foto's te bekijken >>
|